De Hòuje whà boom, Beatrixpark

Of… hoe een vergeten piketpaaltje uitgroeit tot een indrukwekkende boom in het Beatrixpark

 

Het is algemeen bekend; Almere is gebouwd op nieuw land, ontgonnen uit de voormalige Zuiderzee. Noord- en Zuid Flevoland noemen we gemakshalve het nieuwe land en aan de andere kant van de randmeren ligt dus het oude land. Het verhaal begint met een wilg van het oude land.

 

Er was eens een oude wilgenboom op het oude land. Ergens in het midden van het land, in het rivierenland, woonde een boer in een dijkhuisje, zo’n boer met een klein stukje land achter zijn huis waar hij groente en fruit verbouwd, met een varken in een schuurtje dat elk jaar in december wordt geslacht en met kippen die rondscharrelen op het erf. Zo’n boer die altijd s’morgens vroeg op staat, zijn land bewerkt en ’s avonds weer vroeg naar bed gaat. Dag in dag uit. Ach, hij had het niet breed maar hij was tevreden met alles wat het land hem gaf.

 

Bij dat dijkhuisje, aan de voet van de dijk stond de wilgenboom waar het in dit verhaal over gaat. Zo lang de boom zich kan herinneren staat naast zijn stam - als trouwe bondgenoot - een vlierstruik. Zo hebben ze daar altijd gestaan. De boer snoeide geregeld de takken van de wilg en de wilg was in de loop van de jaren uitgegroeid tot een forse karakteristieke knotwilg zoals ze vroeger veel voorkwamen in het rivierenland. De wilgenstaken werden gebruikt voor van alles en nog wat: gereedschapsstelen, bonenstaken, als varkensvoer, voor haagjes en voor nog veel andere dagelijkse dingen.

 

De boer zat vaak op een bankje onder de wilg wat te meimeren en te genieten van de gedane arbeid, van het land en van de natuur. In de loop van de tijd was er een band ontstaan tussen de boer en de wilg. Nou ja, een band, de boer zat gewoon rustig te genieten van de natuur en van alles dat groeit en bloeit en soms gaf dat de boer zo’n dankbaar gevoel dat hij met een zucht van geluk opstond en zomaar de wilg goedendag zegde en aangezien de boer nooit van zijn geboortegrond was weggetrokken gebeurde dat in zijn dialect. Hij zei dan zachtjes: “hòuje whà” wat zoveel betekent als`”nou tot ziens maar weer” of “dag tot de volgende keer”.

 

Door de toenemende leeftijd van de boer en door de komst van de “moderne tijd” verdween langzamerhand de functie van de wilg als leverancier van geriefhout en de boer stopte op een dag met het afzagen van de takken. Dat was ergens eind jaren vijftig van de vorige eeuw. Omdat de nieuwe takken niet meer werden afgezaagd groeiden ze in twintig jaar uit tot forse boomstammen die bovenop de knot stonden. De boer zat nog geregeld onder de wilg en op mooie zomeravonden hoorde je soms nog steeds zachtjes het “hòuje whà”.

 

Totdat de boer op een mooie dag voor het laatst de boom gedag had gezegd en de boer de volgende dag definitief niet alleen uit het rivierenland maar ook uit het aardse leven verdween. Nog diezelfde herfst, tijdens een najaarsstorm, brak een forse tak van de oude wilg en viel half over de dijk. Dat was het teken voor de dijkgraaf om de boom maar helemaal op te laten ruimen.

Nog diezelfde dag verscheen er een jongeman met een kettingzaag en een vrachtwagen en in no-time was nu ook deze oude wilg uit het rivierenlandschap verdwenen. Het hout werd afgevoerd naar een fabriek en tot spijt van de oude wilg werd zijn jarenlang gerijpte hout niet gebruikt voor een mooi meubelstuk maar werd hij verzaagd tot vele nietige dunne latjes van ongeveer 80cm lang met een rood/oranje geverfd kopje erop. Al deze latjes werden vervoerd naar een open stuk land, een stuk land waar gee

 

Het leek in niets op het mooie rivierenland waar hij al zo lang gestaan had. En daar werd hij op een goeie dag door een mensenhand zomaar ergens in de grond gestopt. Grote grondverzet machines reden langs en om hem heen en maakten aan zijn voet een heuvel van grond. Dat was wel apart, nu stond hij, net als in het rivierenland, weer aan de voet van een dijk; niet zo’n hoge dijk deze keer, maar toch, het is een dijkje. En zo kwam de oude wilg als piketpaaltje in een toekomstig park in een nieuwe stad, waar het nog kaal en leeg was, waar de groei van de stad nog moest beginnen, waar de eerste boom nog geplant moest worden. Het was ergens begin jaren ’80.

We gaan even terug naar de tijd dat de boer uit het rivierenlandschap stopte met het gebruik van de wilg als geriefhout-leverancier, zo eind jaren vijftig van de vorige eeuw. Op hetzelfde moment werd namelijk elders in Nederland het idee geboren om een nieuwe stad te bouwen die moest voorzien in de woningbehoeften van Amsterdam en ’t Gooi. Toen de Zuiderzee in 1968 in Zuidelijk Flevoland voorgoed geweken was kon men beginnen aan de inrichting van die nieuwe stad. Op 30 november 1976 ontvingen de eerste inwoners de sleutel van hun huis in Almere-Haven. Almere is in die tijd nog niet een officiële gemeente, dat wordt het pas op 1 januari 1984. De Gemeente Almere bestond dus nog niet begin jaren ’80.

 

Alle inrichtingsplannen voor de stad Almere werden gemaakt door de toenmalige Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders en de mannen en vrouwen van de voormalige Rijksdienst hadden – dat moet gezegd - goede ideeën. Ze voorzagen een moderne nieuwe stad met een duurzame, energiezuinige en milieuvriendelijke inrichting. Voorbeelden daarvan zijn de warmte-kracht centrale, de gescheiden fietspaden en busbanen, autowegen die er voor zorgen dat doorgaande verkeersstromen niet in de woonwijk rijden maar er om heen, gescheiden rioolwatersystemen zodat het regenwater niet ongebruikt in het riool verdwijnt maar afgevoerd wordt naar de grachten in de wijk en tot slot brede robuuste groenstroken, die vanuit de buitenruimte helemaal de stad in liepen, zodat elke inwoner van de nieuwe stad de natuur kan beleven op loopafstand van de voordeur.

Zo werd dan ook het Beatrixpark gepland, als onderdeel van zo’n grote groene wig. Naast het Beatrixpark, aan de zijde van de toekomstige Muziekwijk, zou een doorgaande weg worden aangelegd die ooit zou moeten uitgroeien tot belangrijke toegangsdreef naar het stadscentrum. In verband met de verwachte verkeersdrukte was besloten om aan de rand van het park en langs deze Eilandendreef (die jaren later met de bouw van de Eilendenbuurt in Almere-Buiten werd hernoemd in Muziekdreef) een verhoogd talud aan te leggen. Dat verhoogde talud werd vervolgens beplant met essen en eikenbomen. Het talud kon zo meteen dienst doen als een natuurlijk geluidsscherm voor het park en als visuele barrière zodat vanaf het park de voorbijrazende auto’s niet direct zichtbaar zijn.

 

En zo geschiedde: Het was ergens begin jaren ‘ 80 en de plaats waar het verhoogde talud zou moeten worden aangelegd werd door de aannemer in de klei uitgezet met piketpaaltjes. En zoals iedereen weet worden dergelijke piketpaaltjes vaak gemaakt van afvalhout of andere niet duurzame houtsoorten, zoals wilg. Op een bepaalde afstand worden de piketpaaltjes neergezet zodat de grondverzetmachines precies weten waar ze de grond moeten neerleggen voor de vorming van het talud. Zo’n piketpaaltje geeft aan waar de rand van het talud moet komen. De meeste piketpaaltjes worden na bewezen diensten weer verwijderd, maar op onverklaarbare wijze, bleef deze ene staan.

 

En we zullen nooit weten waarom, maar op de een of andere manier had de oude wilg in dit kleine stukje hout zijn levensvonk en wijsheid behouden en bovendien bezat hij een gedrevenheid tot voortbestaan en op een goede dag en met behulp van de natuurkrachten schoot hij wortel. Moeder aarde deed de rest. Door haar zonnelicht trok ze de levenssappen vanuit de grond omhoog door het piketpaaltje en zo vormde het zijn eerste blad: een nieuw leven als wilgenboom was ontstaan.

 

Sommige mensen kunnen bij het zien van de prachtige wilg maar moeilijk geloven dat deze boom niet bewust door mensen geplant is. Dat het een boom is waar mensen geen of weinig invloed op hebben uitgeoefend. Ze pakken er dan steevast de beplantingslijst bij en willen aantonen dat de wilg daar ingetekend is. Vergeefse moeite, op geen enkel beplantingsplan komt deze boom voor.

Het is eigenlijk de eerste onbedoelde – niet officieel geplante - boom van het park. En juist deze boom weet uit te groeien tot één van de grootste en dikste boom van het park.

 

En zo groeide onze wilg op een nieuwe plek in vijfentwintig jaar uit tot een imposante boom en zoals iedereen kan zien staat naast zijn stam - als trouwe bondgenoot - een vlierstruik. Het zal nu ongeveer vijf jaar geleden zijn dat er op een dag een parkbezoeker voorbij komt en de wilgenboom aandachtig in zich op neemt. De wilgenboom ziet dat wel vaker, dat mensen voorbijkomen, even stil staan, even naar hem kijken en het lijkt dan alsof ze iets willen zeggen, maar er is twijfel en men doet het toch maar niet en men loopt door.

 

Tja, als boom kun je dat contact niet afdwingen. Mensen hebben nu eenmaal een vrije wil, zij moeten zelf de keuze maken om contact met hem te maken. Ach, de boom maakt het niet veel uit; hij staat er, hij heeft het leven en het is het leven dat leven geeft, dus of men nu wel of geen contact maakt, hij gaat gewoon door met boom wezen. Niet dat de boom niet bereid is tot contact, dat is ie wel, maar de mens moet de eerste stap zetten.

De wilg ziet die ene parkbezoeker vaker terug komen en altijd staat hij even voor de boom te mijmeren. Soms maakt de parkbezoeker foto’s van de boom, dan staat hij met zijn buik tegen de dikke bemoste stam van de boom en fotografeert omhoog door de takken, grappig! Dan op een dag staat de bezoeker voor de boom, kijkt de boom aan, hij vangt de energie op van de boom en weet dat hij iets kan vragen.

 

Hij denkt even na en dan vraagt hij aan de boom: : “Waar kom je vandaan?“, “Hoe ben je hier gekomen?”. De oude wilg denkt even na, want hoe leg je dat nou in het kort uit, en hij zegt uiteindelijk “vergeten piketpaaltje” … De parkbezoeker vangt de boodschap feilloos op en ziet het in een flits voor zich en weet heel helder het hele verhaal en schiet in de lach. Wat een humor: de grootste boom is niet eens bewust aangeplant, de meest imposante boom in het hele park is een vergeten piketpaaltje, dit kun je toch niet verzinnen!

 

Met een gelukzalige glimlach om zijn mond en met grote dankbaarheid voor het contact zegt de parkbezoeker zachtjes dankjewel tegen de boom en loopt weg. Zo ziet hij niet dat er een lichte siddering van herkenning door het bladerdak van de wilg gaat als de wilg nog net de laatste woorden opvangt van de parkbezoeker: “hòuje whà”………

 

 

© Heko-Nature, Almere, 2007, foto's 2004.

 

 

 

 

De boom is een paar jaar na het schrijven van dit artikel - ergens rond 2010 - op ongeveer 3 meter afgezaagd en afgevoerd en dus verdwenen uit het park.

Nog steeds is een deel van de inmiddels vermolmde stam zichtbaar, als stille getuige van dit verhaal (foto links: januari 2026)